macho

mannelijk (de)/ˈmɑtʃo/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. man die zich hanig, stoer tegenover vrouwen gedraagt

Etymologie

* Leenwoord uit het Spaans, in de betekenis van ‘overdreven zelfbewuste man’ voor het eerst aangetroffen in 1976

Vertalingen

Spaansmachista