Hall
mannelijk (de)/hɔːl/
Wat is de betekenis van Hall?
Hall betekent: hoge ruimte in een gebouw om een groter aantal mensen te ontvangen
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- hoge ruimte in een gebouw om een groter aantal mensen te ontvangen
Voorbeelden van "Hall" in een zin
- Al van bij het binnenkomen in de grote hall zag ik dat het goed zat. Het liep er vol volk en de studenten trokken in grote drommen naar boven.
- Opeens rent John de hall binnen met een geweer in de hand.
Etymologie
*van "hall"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek