Hall

mannelijk (de)/hɔːl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. hoge ruimte in een gebouw om een groter aantal mensen te ontvangen
    Al van bij het binnenkomen in de grote hall zag ik dat het goed zat. Het liep er vol volk en de studenten trokken in grote drommen naar boven.
    Opeens rent John de hall binnen met een geweer in de hand.

Etymologie

*van "hall"