hal
Wat is de betekenis van hal?
hal betekent: ruimte achter de voordeur
Betekenis
- ruimte achter de voordeur
- een entreeruimte in een gebouw of huis, een ontvangstruimte
- een grote overdekte ruimte gericht op het uitvoeren van activiteiten
- hardheid van de grond tengevolge van de vorst, plek bevroren grond, hardbevroren aardkorst
Voorbeelden van "hal" in een zin
- ' Alfonso keek langs Harold heen de donkere hal in.
- Ik herinner me de sensatie toen ik de trap af liep in dat lichte en zonnige huis waar alles nieuw rook, uitkijkend op de hal met de gele en donkerrode plavuizen, waar zachtgeel geschilderde deuren op uitkwamen.
Betekenis en uitleg van hal
Een hal is een grote, vaak open ruimte binnen een gebouw, zoals een school, een station of een museum. Het wordt meestal gebruikt als een ontmoetingspunt of een doorgang naar andere delen van het gebouw.
Het woord 'hal' komt vaak voor in verschillende contexten, zoals bij evenementen of als toegang tot andere ruimten. Je kunt het gebruiken wanneer je verwijst naar een centrale plek waar mensen samenkomen of passeren. De nuance kan variëren van een formele ontvangstruimte tot een informele wachtruimte.
Voorbeelden
- De leerlingen verzamelden in de hal voordat ze naar de les gingen.
- In de hal van het station stonden honderden reizigers te wachten op hun trein.
- Tijdens de opening van het nieuwe museum was de hal gevuld met enthousiaste bezoekers.
Woordoorsprong
Het woord 'hal' komt van het Oudnederlandse 'hal', dat verwijst naar een ruimte of een deel van een gebouw. Het is verwant aan het Engelse 'hall'.
Veelgestelde vragen over hal
Wat is de betekenis van hal?
hal betekent: ruimte achter de voordeur
Hoeveel betekenissen heeft hal?
hal heeft 4 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.
Welk woordgeslacht heeft hal?
hal is een onzijdig (het).
Wat zijn synoniemen van hal?
Synoniemen van hal zijn: vestibule.
Hoe gebruik je hal in een zin?
Voorbeeld: “' Alfonso keek langs Harold heen de donkere hal in.”
Etymologie
*[B] Afkomstig uit het Noordnederlands; ontwikkeld uit Oergermaans *hala-, bij Indo-Europees *ḱolh₁-o-, vgl. Litouws pašolỹs ‘nachtvorst’. Evenals Oudhoogduits hāli ‘glad’, Oudengels hālstān ‘kristal’ en Oudnoords háll ‘glad, glibberig’.