hal
onzijdig (het)/hɑl/
Wat is de betekenis van hal?
hal betekent: ruimte achter de voordeur
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- ruimte achter de voordeur
- een entreeruimte in een gebouw of huis, een ontvangstruimte
- een grote overdekte ruimte gericht op het uitvoeren van activiteiten
zelfstandig naamwoord
- hardheid van de grond tengevolge van de vorst, plek bevroren grond, hardbevroren aardkorst
Voorbeelden van "hal" in een zin
- ' Alfonso keek langs Harold heen de donkere hal in.
- Ik herinner me de sensatie toen ik de trap af liep in dat lichte en zonnige huis waar alles nieuw rook, uitkijkend op de hal met de gele en donkerrode plavuizen, waar zachtgeel geschilderde deuren op uitkwamen.
Etymologie
*[B] Afkomstig uit het Noordnederlands; ontwikkeld uit Oergermaans *hala-, bij Indo-Europees *ḱolh₁-o-, vgl. Litouws pašolỹs ‘nachtvorst’. Evenals Oudhoogduits hāli ‘glad’, Oudengels hālstān ‘kristal’ en Oudnoords háll ‘glad, glibberig’.
Vertalingen
Engelshall, entrance hall, hall
Fransgélisol
DuitsDiele, Eingangshalle, Flur
Spaansvestíbulo, sala, mercado
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek