Handel

mannelijk (de)/ˈhɑndəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. economie (economie) de in- en verkoop van goederen
    'De handel ging net zo slecht als ik je had voorspeld,' zegt hij.
    Ik dacht dat ze van de koeien hield, maar het was slechts handel geweest.
  2. metonymisch (metonymisch) winkel, onderneming die goederen koopt om ze met winst te verkopen
    Mijn middelste dochter en ik shopten vaak in de stad en struinden kringloopwinkels af en ze begon vervolgens een klein handeltje door de daar gekochte merkkleding met winst door te verkopen.
  3. handelswaar
zelfstandig naamwoord
  1. handgreep, handvat, hendel
    handeldrijven: zij dreven daar al jaren handel mee.

Etymologie

* In de betekenis van ‘kopen en verkopen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1573

Uitdrukkingen

  • De hele handelAlles
  • Iemands handel en wandelIemands volledige gedragspatroon

Vertalingen

Engelsbusiness, commerce, trade
Franscommerce
DuitsHandel
Spaanscomercio, gremio
Italiaanscommercio
Portugeescomércio
Poolshandel
Deenshandel, byttehandel