Heuvel
mannelijk (de)/ˈhøvəl/
Wat is de betekenis van Heuvel?
Heuvel betekent: (geologie) verhoging in het landschap die wat lager is dan een "berg" (tot ± 500 m)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (geologie) verhoging in het landschap die wat lager is dan een "berg" (tot ± 500 m)
- (anatomie), (seksualiteit) "vagina", veelal in sensuele zin en/of als verkleinwoord
Voorbeelden van "Heuvel" in een zin
- Rome is oorspronkelijk gebouwd op zeven heuvels: Palatijn, Aventijn, Capitool, Quirinaal, Viminaal, Esquilijn en Coelius.
- Het pad slingerde langs rotsige heuvels en uitgestrekte valleien.
- Toen hij de kamer uit was, snelde ze naar het raam om hem na te kijken, terwijl hij de heuvel af liep naar het roestige hek.
Etymologie
*(erfwoord), via Middelnederlands "heuvel" en "hovel" van , in de betekenis van ‘verheffing van aardbodem’ aangetroffen vanaf 901
Uitdrukkingen
- Het gras aan de andere kant van de heuvel is altijd groener — men denkt dat anderen geen problemen hebben
Vertalingen
Engelshill
Franscolline
DuitsHügel
Spaanscolina
Italiaanscollina
Portugeescolinas
Russischхолм
Poolswzgórze
Zweedskulle, höjd
Deensbakke
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek