halftijds
ˈhɑlᵊfˌtɛits
Wat is de betekenis van halftijds?
halftijds betekent: van een baan of betrekking dat deze geen volledige werkweek omvat
Betekenis
bijvoeglijk naamwoord
- van een baan of betrekking dat deze geen volledige werkweek omvat
- de helft van de tijd
Voorbeelden van "halftijds" in een zin
- Maaike H. wilde twee jaar na haar behandeling opnieuw halftijds gaan werken. Nee, zei haar werkgever. De rechter fluit de werkgever terug. Een primeur.
- Sinds juli 2017 liggen acht scheidsrechters, van wie zeven met een FIFA-badge, bij de Koninklijke Belgische Voetbalbond (KBVB) onder een halftijds contract.de Standaard 13/01/2018 om 18:28
Etymologie
samenstelling van half zn en tijd zn met het achtervoegsel -s
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek