Huizen
/ˈhœyzə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) wonen, aanwezig zijnHet zat eruit alsof er al enige tijd in deze kamer werd gehuisd.
- (ov) een verblijfplaats verschaffenHet geschut werd gehuisd in een nieuw, versterkt betonnen emplacement.Niet alleen omdat in een gezond lichaam een gezonde geest zou huizen, maar vooral ook omdat gereguleerde sport de gemeenschap samenbracht en disciplineerde.
Vertalingen
Engelsdwell, live
Spaanshabitar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek