Huizen

/ˈhœyzə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) wonen, aanwezig zijn
    Het zat eruit alsof er al enige tijd in deze kamer werd gehuisd.
  2. ov (ov) een verblijfplaats verschaffen
    Het geschut werd gehuisd in een nieuw, versterkt betonnen emplacement.
    Niet alleen omdat in een gezond lichaam een gezonde geest zou huizen, maar vooral ook omdat gereguleerde sport de gemeenschap samenbracht en disciplineerde.

Vertalingen

Engelsdwell, live
Spaanshabitar