indo

mannelijk (de)/ˈɪndo/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. geschiedenis, pejoratief (geschiedenis) (pejoratief) in Nederlands-Indië: halfbloed van gemengde Europese en inheemse afstamming
    Reeds vroeger was de vereeniging Insulinde opgericht, waar geen kracht van uitging: men schaamde zich er nog voor indo te zijn of ‘sinjo’, ‘blauwe’ of ‘liplap’ zooals de beschaafde volbloed hem betitelde.
  2. schrijfwijze voor Indo, Nederlander van Indonesische afkomst
    Bovendien signaleert Van Leeuwen zelf in haar stuk dat Frits Bolkestein eveneens een indo was.

Etymologie

*[1], [2] (verkorting) van Indo-Europeaan