Kader

onzijdig (het)/ˈkadər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. rand die om iets (m.n. een afbeelding of schilderij) heen wordt aangebracht
    Die prent behoeft geen kader.
  2. figuurlijk (figuurlijk): situationele context, raamwerk, verband, achtergrond
    In het kader van de bezuinigingen wordt de uitgave met de helft verminderd.
    'Joodse wijk? Nee, die bordjes zijn vorig jaar bevestigd in het kader van een multicultureel project van de gemeente.
    Door de hele oostelijke Griekssprekende rijkshelft werden wedstrijden georganiseerd in traditionele Griekse stijl, maar wel vaak in het kader van de Romeinse keizercultus.
  3. bedrijfskunde (bedrijfskunde) (meervoud) leidinggevende medewerkers in een organisatie
    De vakbond heeft meer kaders nodig.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘frame, lijst’ voor het eerst aangetroffen in 1816

Vertalingen

Engelscadre, frame, framework
DuitsRahmen, Rahmen, Zusammenhang
Spaanscuadro, marco, recuadro