Kanteel
mannelijk (de)/kɑnˈtel/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- elk van de opstaande delen van de getande bovenkant van (oude) verdedigingsmurenMen kon zich achter de kantelen beschermen tegen vijandelijk geschut.
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘opstaand deel van muur’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285
Vertalingen
Engelsmerlon
Franscréneau
DuitsZinne
Spaansalmena
Italiaansmerlo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek