Krimpen

/ˈkrɪmpə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) kleiner in omvang worden
    De bevolking is gekrompen.
  2. erga, kleding (erga), (kleding) kleiner worden na een wasbeurt
    De broek was in de was gekrompen en hij kreeg hem niet meer aan.
  3. erga, scheepvaart (erga) (scheepvaart) (van wind) geleidelijk van richting veranderen, tegen de wijzers van de klok in
    Op het noordelijk halfrond gaat de wind krimpen bij het naderen van een lagedrukgebied.

Etymologie

*van Middelnederlands "crempen", in de betekenis van ‘zich samentrekken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287

Vertalingen

Engelsshrink
Fransse rétrécir
Duitsschrumpfen
Spaansencoger, achicarse
Poolskurczyć się