Pip
mannelijk/vrouwelijk (de)/pɪp/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- ziekte bij pluimvee in de bek en ademhalingsorganen
Etymologie
* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘vogelziekte’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287
Uitdrukkingen
- krijg de pip met sterretjes voor je ogen!
- laat ze (allemaal) de pip krijgen!
Vertalingen
Spaansmoquillo de las gallinas, pepita
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek