pipet

/piˈpɛt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheikunde (scheikunde) een instrument waarmee heel precieze hoeveelheden vloeistof kunnen worden afgemeten door de vloeistof erin op te zuigen, meestal een in het midden verwijde en spits uitlopende glazen buis
    Als je 25 milliliter in je pipet hebt zitten, mag je het in dit flesje doen.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘glazen buis’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1869

Vertalingen

Engelspipet
Franspipette
DuitsPipette
Spaanspipeta
Turkspipet
Poolspipeta