Roodborstje
/ˈrodbɔrs(t)jə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (zangvogels) bepaald soort vrij gedrongen vogeltje met opvallende bruinrode keel,
Etymologie
**[2] in de betekenis van ‘zangvogel’ aangetroffen vanaf 1494
Vertalingen
Engelsrobin, redbreast
Fransrouge-gorge
DuitsRotkehlchen
Spaanspetirrojo
Italiaanspettirosso
Portugeespintarroxo
Russischзарянка
Turkskızılgerdan
Poolsrudzik
Zweedsrödhake
Deensrødhals
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek