Schemering

vrouwelijk (de)/ˈsxeməˌrɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. toestand tussen dag en nacht, waarin het niet echt licht of donker is
    In de schemering was de rand van het bos niet meer goed te zien.
    Het festivalseizoen brengt een geheel andere sfeer met zich mee dan touren: overdag het zonnetje, ’s avonds de schemering.
  2. tijd van de dag waarop het licht dan wel donker wordt
    Tijdens de schemering heb je de beste kans reeën te zien.
    Overal kwamen dieren uit het bos tevoorschijn terwijl ik in de schemering afdaalde naar de groene vallei waar een rivier doorheen liep.

Etymologie

* van schemeren

Vertalingen

Engelstwilight
Franscrépuscule
DuitsDämmerung
Spaanscrepúsculo
Zweedsskymning
Deensskumring