Schout

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) het hoofd van het dorpsbestuur van een schoutambt vanaf de hoge middeleeuwen
    'We zijn hier op gezag van schout Slabbaert en de hoofdburgemeester in het stadhuis.
    De schout zal het bewijsmateriaal bestuderen.
    'Er zullen een paar mannen van de Amsterdamse schepenbank bij de hoorzitting aanwezig zijn, maar schout Pieter Slabbaert heeft de leiding.

Etymologie

*Afkomstig van het Duitse Schultheiß (iemand die over schulden beslist).

Vertalingen

Engelsbailiff
DuitsSchultheiß