Sim
/sɪm/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (visserij) lijn van een hengel
- (visserij) drijver aan een hengelsnoer die gaat bewegen als een vis in het aas hapt
- (visserij) touw om een visnet dicht te trekken of uit te spannen
zelfstandig naamwoord
- kaartje dat een telefoonbedrijf aan een abonnee verstrekt om in een mobiele telefoon te plaatsen zodat die toegang krijgt tot het netwerk
zelfstandig naamwoord
- (primaten) (verouderd) benaming voor primaat uit de infraorde
- (figuurlijk) (pejoratief) (verouderd) iemand die zich onbehoorlijk gedraagt
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) bepaald soort tropische bonenplant
- (voeding) peul van
- (voeding) boon van
zelfstandig naamwoord
- (voeding) rugstuk van een hert of ree
Etymologie
*[E] mogelijk (verkorting) van "simmer" dat via "Ziemer" teruggaat op "cimier"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek