Sim

/sɪm/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. visserij (visserij) lijn van een hengel
  2. visserij (visserij) drijver aan een hengelsnoer die gaat bewegen als een vis in het aas hapt
  3. visserij (visserij) touw om een visnet dicht te trekken of uit te spannen
zelfstandig naamwoord
  1. kaartje dat een telefoonbedrijf aan een abonnee verstrekt om in een mobiele telefoon te plaatsen zodat die toegang krijgt tot het netwerk
zelfstandig naamwoord
  1. primaten, verouderd (primaten) (verouderd) benaming voor primaat uit de infraorde
  2. figuurlijk, pejoratief, verouderd (figuurlijk) (pejoratief) (verouderd) iemand die zich onbehoorlijk gedraagt
zelfstandig naamwoord
  1. bloemplanten (bloemplanten) bepaald soort tropische bonenplant
  2. voeding (voeding) peul van
  3. voeding (voeding) boon van
zelfstandig naamwoord
  1. voeding (voeding) rugstuk van een hert of ree

Etymologie

*[E] mogelijk (verkorting) van "simmer" dat via "Ziemer" teruggaat op "cimier"