Tori

/ˈtori/

Wat is de betekenis van Tori?

Tori betekent: verslag van een beleefde of verzonnen gebeurtenis

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verslag van een beleefde of verzonnen gebeurtenis
  2. gepraat dat geen belangrijke informatie oplevert
zelfstandig naamwoord
  1. religie, bouwkunde, verouderd (religie) (bouwkunde) (verouderd) (uitspraakvariant van) torii, poort bij een Japanse tempel

Voorbeelden van "Tori" in een zin

  • Hoe ik bij de nationalisten terecht kwam? Dat is een lange tori.
  • In Suriname worden er tori gevonden, welke verhalen waarom Anansi kakkerlakken en vliegen doodt (…); waarom hij in de naden en beslagruimten woont (…); waarom zijn lichaam in tweeën geleed is (…).
  • Wat ze ook zeggen, mensen denken: ach, laat die bakra's met hun tori's, zo gaat het toch al eeuwen. Terwijl ik daarentegen echt op mijn woorden moet letten. Want ik ben die blaka bakra, weet je?
  • ‘Is geen grapje wat je daar gepresteerd heb Trudi! Die man van je geeft geen tori! Wat een krasse kerel heb je, man!’ grapte Rudi.
  • Gaan wij onder dezen tori door, de poort die steeds den toegang tot een tempel kenmerkt.

Etymologie

*[C]: van Latijn "tori"

Uitdrukkingen

  • een tori praten