Tori

/ˈtori/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verslag van een beleefde of verzonnen gebeurtenis
    Hoe ik bij de nationalisten terecht kwam? Dat is een lange tori.
    In Suriname worden er tori gevonden, welke verhalen waarom Anansi kakkerlakken en vliegen doodt (…); waarom hij in de naden en beslagruimten woont (…); waarom zijn lichaam in tweeën geleed is (…).
  2. gepraat dat geen belangrijke informatie oplevert
    Wat ze ook zeggen, mensen denken: ach, laat die bakra's met hun tori's, zo gaat het toch al eeuwen. Terwijl ik daarentegen echt op mijn woorden moet letten. Want ik ben die blaka bakra, weet je?
    ‘Is geen grapje wat je daar gepresteerd heb Trudi! Die man van je geeft geen tori! Wat een krasse kerel heb je, man!’ grapte Rudi.
zelfstandig naamwoord
  1. religie, bouwkunde, verouderd (religie) (bouwkunde) (verouderd) (uitspraakvariant van) torii, poort bij een Japanse tempel
    Gaan wij onder dezen tori door, de poort die steeds den toegang tot een tempel kenmerkt.
    Zinnebeeldig zijn de portico's, ‘tori's’ geheeten, die in de nabijheid der Shintoïstische tempels zijn geplaatst en die men, evenals in Griekenland de propyleeën, van uit de verte op het vlakke veld ziet staan.

Etymologie

*[C]: van Latijn "tori"

Uitdrukkingen

  • een tori praten