Tori
/ˈtori/
Wat is de betekenis van Tori?
Tori betekent: verslag van een beleefde of verzonnen gebeurtenis
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- verslag van een beleefde of verzonnen gebeurtenis
- gepraat dat geen belangrijke informatie oplevert
zelfstandig naamwoord
- (religie) (bouwkunde) (verouderd) (uitspraakvariant van) torii, poort bij een Japanse tempel
Voorbeelden van "Tori" in een zin
- Hoe ik bij de nationalisten terecht kwam? Dat is een lange tori.
- In Suriname worden er tori gevonden, welke verhalen waarom Anansi kakkerlakken en vliegen doodt (…); waarom hij in de naden en beslagruimten woont (…); waarom zijn lichaam in tweeën geleed is (…).
- Wat ze ook zeggen, mensen denken: ach, laat die bakra's met hun tori's, zo gaat het toch al eeuwen. Terwijl ik daarentegen echt op mijn woorden moet letten. Want ik ben die blaka bakra, weet je?
- ‘Is geen grapje wat je daar gepresteerd heb Trudi! Die man van je geeft geen tori! Wat een krasse kerel heb je, man!’ grapte Rudi.
- Gaan wij onder dezen tori door, de poort die steeds den toegang tot een tempel kenmerkt.
Etymologie
*[C]: van Latijn "tori"
Uitdrukkingen
- een tori praten
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek