Wiel

onzijdig (het)/wil/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. (n) ronddraaiende schijf voor voortbeweging met minimale weerstand
    Gelukkig kwamen de zestien wielen net op tijd knarsend tot stilstand, gevolgd door een grote stofwolk.
  2. waterbeheer (f)/(m) (waterbeheer) een poel net achter de dijk, ontstaan door verspoeling tijdens een dijkdoorbraak

Etymologie

* In de betekenis van ‘kolk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1187

Uitdrukkingen

  • een spaak in het wiel steken
  • een stok in het wiel steken
  • het wiel opnieuw uitvinden
  • het vijfde wiel aan de wagen zijn
  • in de wielen rijden
  • stokken in het wiel steken
  • stokken in de wielen steken

Vertalingen

Engelswheel, weel
Fransroue
DuitsRad
Spaansrueda
Italiaansruota
Portugeesroda
Russischколесо
Chinees轮子
Japans車輪
Koreaans바퀴
Arabischعجلة
Turkstekerlek
Poolskoło
Zweedshjul
Deenshjul