Wolfsklauw
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈwɔlᵊfsˌklɑu/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (wolfsklauwachtigen) sporenplant van het geslacht
- vijfde teen van een hondenpoot
Etymologie
* , in de betekenis van ‘plantengeslacht’ voor het eerst aangetroffen in 1543
Vertalingen
Engelsground pines, wolfsclaw, dewclaw
DuitsBärlappe, Schlangenmoos, Drudenfuß
Spaanslicopodio
Italiaanslicopodio
Russischплаун
Koreaans석송속
Poolswidłak
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek