aalmoes
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈalmus/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- liefdegift aan een behoeftige; kleine gift aan een bedelaar
- minachtend gebruikt voor: uit de hoogte toegeworpen gave of gunst of onvoldoende grote beloningVoor zo'n aalmoes ga ik niet het hele weekend werken.
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘gift’ voor het eerst aangetroffen in 1236
Uitdrukkingen
- Aalmoezen geven verarmt niet — door weldoen werkt men aan zijn heil
- men zou hem een aalmoes geven — gezegd van iemand die er zeer armoedig uitziet
Vertalingen
Engelscharity
Russischподаяние
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek