aandeel

onzijdig (het)/ˈandel/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. economie (economie) waardepapier dat de mede-eigendom in het vermogen van een onderneming bewijst
    Mijn vader heeft een aandeel in dat bedrijf en hoopt een goed dividend te krijgen.
    ‘Heb je er soms aandelen in? ’ vroeg Jeroen op een veel scherpere toon dan de bedoeling was.
    In 2009 steunt hij de club opnieuw met een lening, op voorwaarde dat hij de overige aandelen ook in handen krijgt als de club niet aan zijn betalingsplicht voldoet. Dat blijkt in 2010 aan de orde, waardoor Schouten voor 99 procent eigenaar wordt van Vitesse.
  2. persoonlijk aandeel in gemeenschappelijke handelingen of in gemeenschappelijk bezit
    Haar aandeel in deze opdracht was van groot belang. Ze was dan ook een gewaardeerd lid van de werkgroep.
  3. gedeelte van iets
    Dit bedrijf heeft een groot aandeel van de markt in handen en kan dus ook de prijs van haar goederen naar eigen goeddunken opvoeren.
  4. bijdrage [1]
    Zijn aandeel aan de conversatie die zij op wilde zetten, was beperkt gebleven tot ‘ja’, ‘nee’ en ‘zou kunnen’.
    Ze vond het prettig om deel te nemen aan kerkelijke aangelegenheden, waarbij ze een belangrijk aandeel had in de organisatie van bazaars en dergelijke.

Etymologie

*afgeleid van het werkwoord 'aendelen'

Vertalingen

Engelsshare
Fransaction
DuitsAktie
Spaansacción, participación
Portugeesação
Russischакция
Chinees
Japans株, 株式
Poolsakcja
Zweedsaktie