aandoen
/ˈandun/
Wat is de betekenis van aandoen?
aandoen betekent: (ov) (kleren) aantrekken
Betekenis
werkwoord
- (ov) (kleren) aantrekken
- (ov) (iemand iets) berokkenen
- (ov) (iets) aantasten
- (ov) (iemand) ontroeren
- (ov) (iemand of iets) bezoeken
- (ov) lampen ontsteken, kachel aansteken
Voorbeelden van "aandoen" in een zin
- Het jonge kind kreeg een applaus toen het zijn kleren voor het eerst zelf aandeed
- De vader wist niet wat hij zijn kinderen aandeed door hen te verlaten.
- ‘Hoe kon je mij dit aandoen? ’ zei ze snikkend.
- Besef je wat hij haar - en Lucy - heeft aangedaan? Hij vermoedde dat er een of ander geheim was, dat er een verband bestond tussen mij en hun huis, en hij was vastbesloten te ontdekken wat dat was.
- Op weg van school deden we altijd even de snackbar aan.
Etymologie
*[1-5]
Uitdrukkingen
- zich iets aandoen — zelfmoord plegen
- hij kan zich zelf wel iets aandoen — ergens heel veel spijt van hebben
Vertalingen
Spaansponer, ponerse, causar
Deensgøre
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek