aandraaien

/ˈandrajə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) vaster draaien
    Ik heb het boutje iets te strak aangedraaid.
    'Als ik jullie was, zou ik bij hem de duimschroeven een beetje extra aandraaien .
  2. ov (ov) iets met een draaiknop in werking stellen
    Hij draaide de radio aan, stak een sigaret op en begon eten klaar te maken.

Uitdrukkingen

  • de duimschroeven aandraaien

Vertalingen

Engelstighten, turn on, switch on
Fransserrer, visser, tourner
Duitsanziehen, andrehen, anknipsen
Spaansapretar, encender
Italiaansstringere, accendere