uitdraaien

/ˈœydrajə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ~ op: uiteindelijk als resultaat hebben
    De werknemersorganisatie is bang dat de reorganisatie uitdraait op een massaontslag.
    Het zal wel op een teleurstelling uitdraaien.
    In de Rooms-Katholieke Kerk en Orthodoxe Kerk horen ze alleen een politiek verhaal, dat uitdraait op moralisme en legalisme. „Mensen merken er nooit dat Christus direct in het hart komt en daar vrijheid schenkt.” Reformatorisch Dagblad Klaas van der Zwaag 25-05-2016 [https://www.rd.nl/kerk-religie/gereformeerden-in-europa-in-diaspora-1.547476 Gereformeerden in Europa in diaspora]
  2. ov (ov) door draaien iets ergens uit halen
    Voorzichtig draaide hij de ontsteking uit de bom.
  3. erga (erga) stoppen met draaien
    Wacht even tot de machine helemaal is uitgedraaid.
  4. ov (ov) door draaien aan een schakelaar uitdoen
    Heb ik het gas nou wel uitgedraaid?
  5. ov (ov) met een printer afdrukken op papier
    Ik kon het document niet uitdraaien.

Vertalingen

Fransmener (à)