aandrang

mannelijk (de)/ˈandraŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het aandringen
    Er werd grote aandrang op hem uitgeoefend om zijn werk af te maken.
  2. aansporing, morele druk
    Er was weinig aandrang nodig om hem geld te laten geven voor het goede doel.
  3. neiging
    Hij had een grote aandrang om te plassen.
    Hoewel Chantal de aandrang voelde om iets te zeggen waaruit haar medeleven bleek, zweeg ze.

Etymologie

* van aandringen

Vertalingen

Spaansagolpamiento, insistencia, instancia
Deenstrang