aaneensluiting

vrouwelijk (de)/anˈenslœytɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het samengaan van verschillende onderdelen tot een geheel; het aangaan van een verbinding
    Staten ontstonden uit de vrijwillige aaneensluiting van twee of meer stammen (confederaties) of door de onderwerping van de ene stam door de andere.NRC 1 maart 2011
    Hij is intussen 42. Zijn roeicarrière is een aaneensluiting van comebacks. „Ik heb zo vaak gezegd: ‘dit was het’. Maar daarna miste ik het roeien al snel weer. De boot, de beproeving, de mooie vooruitzichten - het is de drang om bijzondere dingen te doen’.”NRC Thijs Zonneveld 3 augustus 2012

Etymologie

* afleiding van aaneensluiten

Vertalingen

Engelsconnection, liaison, association