aanraking

vrouwelijk (de)/ˈanrakɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het aanraken
    Iedere aanraking van de gebroken hand deed veel pijn.
  2. in aanraking met: te maken hebbend met; contact hebben met
    Bent u wel eens in aanraking geweest met een veroordeelde.
    Via internet kwam ik met meerdere personen in aanraking die tijdens hun all-inclusive vakantie een ramp hadden beleefd.

Etymologie

* van aanraken

Vertalingen

Engelstouch, contact
DuitsBerührung, Kontakt
Spaanstoque, tocamiento, palpadura
Italiaanscontatto
Poolsdotyk, kontakt