aanreiken

/ˈanrɛikə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) overreiken, iemand iets aangeven waarbij je je moet uitrekken
    Hij moest helemaal over de balie heen buigen om het formulier aan het kind aan te reiken.
    Wat gebeurt er dan? Hij vreet zich dood. Jochem Hundertmark had zich letterlijk doodgegeten. En de overdosis was hem aangereikt door de koks van het Paraiso.
    Tweemaal moest ze haar relaas onderbreken om haar waterige ogen met het zakdoekje te deppen dat Denise haar aanreikte.

Vertalingen

Engelshand
Spaansalargar, entregar