aansluiten

/ˈanslœytə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) op elkaar volgen
    De trein en de bus sloten goed op elkaar aan.
    Dolgelukkig sloot ik achter aan in de rij.
  2. ov (ov) een verbinding tot stand brengen
    Hij sloot zijn nieuwe computer aan op het netwerk.
  3. passend maken
    Die tafel sluit niet goed aan bij het aanrecht.
  4. refl (refl) zich ~: bij een groep of organisatie gaan behoren
    Hij sloot zich aan bij de nieuwe politieke partij.
    Ik besloot mijn tempo op te schroeven, in de hoop andere hikers in te halen en me bij hen aan te sluiten.
    Toen begon iemand te applaudisseren en op Lauritz en grootmoeder Maren Kristine na sloot iedereen er zich bij aan.
  5. refl (refl) zich ~: bevestigen wat een eerdere spreker gezegd heeft
    Mag ik mij daarbij aansluiten?

Uitdrukkingen

  • aangesloten zijn: telefoon hebben

Vertalingen

Engelsjoin
Spaansempalmar, corresponder, conexionar