aansluiten

/ˈanslœytə(n)/

Wat is de betekenis van aansluiten?

aansluiten betekent: (erga) op elkaar volgen

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) op elkaar volgen
  2. ov (ov) een verbinding tot stand brengen
  3. passend maken
  4. refl (refl) zich ~: bij een groep of organisatie gaan behoren
  5. refl (refl) zich ~: bevestigen wat een eerdere spreker gezegd heeft

Voorbeelden van "aansluiten" in een zin

  • De trein en de bus sloten goed op elkaar aan.
  • Dolgelukkig sloot ik achter aan in de rij.
  • Hij sloot zijn nieuwe computer aan op het netwerk.
  • Die tafel sluit niet goed aan bij het aanrecht.
  • Hij sloot zich aan bij de nieuwe politieke partij.

Betekenis en uitleg van aansluiten

Aansluiten betekent letterlijk dat je je bij iets of iemand voegt. Het kan zowel fysiek zijn, zoals aansluiten bij een groep, als figuurlijk, zoals het ondersteunen van een idee of initiatief.

Je gebruikt 'aansluiten' vaak in de context van samenwerkingen of groepsactiviteiten, waarbij je je bij anderen voegt of een bepaald standpunt overneemt. Het woord heeft een positieve connotatie en suggereert een gevoel van saamhorigheid en ondersteuning. Het kan ook in technische contexten worden gebruikt, zoals het aansluiten van apparaten.

Voorbeelden

  • Na de presentatie besloot ik me aan te sluiten bij het team dat zich inzet voor duurzaamheid.
  • De nieuwe student wilde zich graag aansluiten bij de sportclub om nieuwe vrienden te maken.
  • Bij het aansluiten van de printer aan de computer volgde ik nauwgezet de instructies.

Woordoorsprong

Het woord 'aansluiten' is samengesteld uit 'aan' en 'sluiten', wat samenvoegen of verbinden impliceert. Het komt voort uit het idee van het sluiten van een verbinding met iets of iemand.

Veelgestelde vragen over aansluiten

Wat is de betekenis van aansluiten?

aansluiten betekent: (erga) op elkaar volgen

Hoeveel betekenissen heeft aansluiten?

aansluiten heeft 5 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.

Hoe gebruik je aansluiten in een zin?

Voorbeeld: “De trein en de bus sloten goed op elkaar aan.

Uitdrukkingen

  • aangesloten zijn: telefoon hebben

Vertalingen

Engelsjoin
Spaansempalmar, corresponder, conexionar