aansteken

/ˈanstekə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) doen ontbranden
    Met een aansteker kun je de sigaret aansteken.
    Het aansteken van branden moet dus verboden worden.
    Hij had nauwelijks wat gezegd en ze keken hem allemaal aan, terwijl hij zijn aansteker uit zijn zak pakte en zijn hoofd iets boog om zijn sigaret aan te steken.
  2. ov (ov) met iets scherps vastmaken
  3. ov (ov) beginnen uit iets te tappen
  4. ov (ov) besmetten met een begin van rotting
    Ik ben door hem aangestoken met de griep.
  5. ov, valkerij (ov) (valkerij) het herstellen van een gebroken of beschadigde staart- of vleugelpen met behulp van een aansteeknaald

Vertalingen

Engelsignite, infect, imp
Fransallumer, infecter
Duitsanzünden, anstecken
Spaansencender, alumbrar, contagiar
Poolszapalić, zarazić