aar
mannelijk/vrouwelijk (de)/ar/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- bloeiwijze van granen
- bovenste deel van de halm van gras- of graangewassen
Etymologie
:Oost: : "ahs" (n)
Vertalingen
Engelsear, spike, ear
Fransépi, épi
DuitsÄhre, Ähre
Spaansespiga, espiga
Italiaansspiga
Russischколос
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek