achten
/'ɑxtə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) beschouwen, van mening zijn, houden voorIk acht u daartoe in staat.
- achting geven, een positieve mening hebben overIk achtte mijn schoonvader heel hoog.
- acht slaan op = letten opAls je op de computer werkt moet je acht slaan op de meldingen die op het scherm verschijnen.
zelfstandig naamwoord
- roeiwedstrijd tussen achtpersoonsboten (achten)
- van acht na voortzetsels bij tijdsaanduidingenHet zal rond achten geweest zijn.
Etymologie
*afgeleid van acht
Uitdrukkingen
- Zij waren met zijn achten. — Zij waren acht in getal.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek