achten

/'ɑxtə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) beschouwen, van mening zijn, houden voor
    Ik acht u daartoe in staat.
  2. achting geven, een positieve mening hebben over
    Ik achtte mijn schoonvader heel hoog.
  3. acht slaan op = letten op
    Als je op de computer werkt moet je acht slaan op de meldingen die op het scherm verschijnen.
zelfstandig naamwoord
  1. roeiwedstrijd tussen achtpersoonsboten (achten)
  2. van acht na voortzetsels bij tijdsaanduidingen
    Het zal rond achten geweest zijn.

Etymologie

*afgeleid van acht

Uitdrukkingen

  • Zij waren met zijn achten.Zij waren acht in getal.