achterbuurvrouw

vrouwelijk (de)/ˈɑxtərˌbyrvrɑu/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vrouw die in een huis woont waarvan het perceel grenst aan de achterzijde van het eigen perceel
    Uit het politieonderzoek bleek bovendien dat Van der K. in zijn woning een beveiligingscamera had staan. Die was niet gericht op zijn bezittingen, maar op het slaapkamerraam van een achterbuurvrouw.
    Een achterbuurvrouw werd wakker van geschreeuw. "Toen ik buiten kwam zag ik de ouders op het dak van de serre staan. Mijn man heeft een ladder gepakt en ze eraf gehaald."