achteruit

mannelijk (de)/ˌɑxtəˈrœyt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. techniek (techniek) een versnelling die een mechaniek in achterwaartse richting doet teruglopen
    Als je hem in z'n achteruit wilt zetten moet je de pook naar beneden drukken.
  2. deel achter in iets; achterdeur
  3. naar achteren gericht, in achterwaartse richting
    Hij moest door de achterruit kijken doen hij met zijn auto achteruit reed.
    Plotseling verstijfde ik. Midden op het pad lag een reusachtige ratelslang te zonnen, de koningin van de woestijn. Ik schrok me kapot en sprong meteen achteruit.
  4. in ongunstige richting.
    De zieke patiënt ging ineens snel achteruit en was de volgende dag overleden.

Vertalingen

Engelsaback, back, backward
Duitsrückwärts, zurück
Spaansatrás, hacia atrás, marcha atrás