achterwerk

onzijdig (het)/ˈɑxtərˌwɛrᵊk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. achterste deel
  2. anatomie (anatomie) zitvlak, achterste, billen
    Ik viel op mijn achterwerk
    Er stond dus geen ramp aan te komen, en dus konden de stormtroepers en dergelijke figuren hun achterwerk afvegen met hun bovenarmbanden, vrouwen mishandelen en in het algemeen irritant zijn, maar meer ook niet.
    Ze zet haar handen in haar zij en drukt haar buik naar voren, waardoor haar achterwerk en haar rug één stuk worden.
  3. scheepvaart, verouderd (scheepvaart) (verouderd) het houtsnijwerk dat de achtersteven van een schip sierde

Etymologie

* In de betekenis van ‘billen’ voor het eerst aangetroffen in 1882

Vertalingen

Engelsbackside
Fransderrière
DuitsHintern
Spaanstrasero, culo, nalgas