adventskrans
mannelijk (de)/ɑt'fɛntskrɑns/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (kerst) een hangende of op tafel liggende ronde krans van gevlochten dennen- of sparrengroen als symbool van hoop, met vier kaarsen waarvan tijdens de advent er elke zondag één meer wordt aangestokenDe adventskrans stond midden op de tafel.
Etymologie
* Samenstelling van advent en krans
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek