adventstijd

mannelijk (de)/ɑtˈfɛntstɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de laatste vier weken voor het kerstfeest
    Polenk heeft nog nooit zo'n slecht jaar gedraaid, vertelt hij. "Pasen was al verschrikkelijk en nu ook dit nog, midden in de adventstijd." Normaal verkoopt hij in december stapels kerstpakketten, vooral aan bedrijven en verpleeghuizen. Maar die hebben daar volgens Polenk dit jaar flink op bespaard. Hij is bang voor de toekomst, niet alleen die van hem, maar van heel veel winkels in Bautzen. "Ik vraag me af hoeveel er nog opengaan na de lockdown.
    Sinds zondag kan er weer op de midwinterhoorn worden geblazen. Het was de eerste van de adventstijd. En elke rechtgeaarde blazer weet dat pas dan de eerste toon geblazen mag worden. En na Driekoningen (6 januari) moet het afgelopen zijn.