adventszondag
mannelijk (de)/ɑt'fɛntsɔndɑx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- elk van de vier zondagen vóór kerstmisVanaf de uitkijktoren nabij de Needse berg was de eerste adventszondag de Needse Roop te horen.Het is proppen geblazen deze zondagmiddag in de Oude Mattheüs in Eibergen. De bezoekers zijn echter niet de kerk binnengestapt om naar een preek te luisteren. In de kerk staan talrijke stands. Allerlei kerstattributen worden er verkocht. De kerk fungeert op deze vierde adventszondag als een kleine warenmarkt.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek