afdwaling

vrouwelijk (de)/'ɑvdwalɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het niet meer volgen van een logische, doelgerichte handeling maar willekeurig andere zaken behandelen
    De afdwalingen en vele vergezochte metaforen ondermijnen ook de geloofwaardigheid van de twaalfjarige verteller, ‘te oud om in de tandenfee te geloven, maar te jong om niet meer naar haar te verlangen’. NRC Thomas de Veen 22 maart 2018 [https://www.nrc.nl/nieuws/2018/03/22/offers-verzinnen-om-de-dood-te-bezweren-a1596746 Offers verzinnen om de dood te bezweren]
  2. een foute weg ingeslagen zijn
    Zijn vader – om precies te zijn: de vader van de autobiografisch gekleurde verteller in de gedichten – is ouderwets, hardvochtig en allesbehalve geïntegreerd in de Deense samenleving. En zijn ouders bevond hij daarom schuldig aan zijn eigen afdwaling op het criminele pad. NRC Thomas de Veen 3 juni 2014 [https://www.nrc.nl/nieuws/2014/06/03/waarom-dit-geen-normale-poezie-van-zomaar-een-dich-1386793-a1379564 Waarom dit geen normale poëzie van zomaar een dichter is]

Etymologie

* van afdwalen

Vertalingen

Engelswandering, digression, aberration