afhollen

/ˈɑfhɔlə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) allemaal haastig bezoeken
    Leeft Mark Rutte nog? Temidden van {{sic!
    Timothy Castagne mocht bij Atalanta de rechterflank op- en afhollen en voelde zich in zijn sas in die rol.
  2. ov (ov) naar beneden rennen over