afschutting

vrouwelijk (de)/'ɑfsxʏtɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. wand die men gebruikt om twee ruimtes van elkaar te scheiden
    Hij stond in de afdeling woninginrichting bij een tafel met vazen. Hij nam er een op, trad er mee achter een afschutting, waterde hem vol en zette hem op zijn plaats terug. NRC Gerard Reve 25 december 2015 [https://www.nrc.nl/nieuws/2015/12/24/lezen-luisteren-en-kijken-hoofdstuk-vier-van-de-avonden-a1405393 Lezen, luisteren én kijken: hoofdstuk vier van ‘De Avonden’]
    De jongeren zijn allemaal tussen 18 en 20 jaar oud en behoren tot een studentenclub uit Sint Katelijne-Waver, ze verbleven een weekend aan zee. Na een feestje richtten ze een groot aantal vernielingen aan op het strand en in de wijk. Verkeersborden, paaltjes en afschuttingen werden omvergeduwd en glazen belandden op de openbare weg. Ze pleegden ook een diefstal van drank. De Standaard 06/05/2006 door vmj [http://www.standaard.be/cnt/dmf06052006_019 Jongeren richtten vandalenstreken aan in Bredene en De Haan]

Etymologie

* van afschutten

Vertalingen

Engelsfence