afschuw
mannelijk (de)/ˈɑfsxyw/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- hevige afkeerHaar gezicht was vertrokken van afschuw.Zweden koos aan het begin van de coronacrisis een aanpak die afweek van die in veel andere landen in Europa: scholen, sportscholen, horecazaken en winkels bleven open. Wel moesten Zweden 1,5 meter afstand van elkaar houden op straat. Tegelijkertijd werd erop gerekend dat mensen de nieuwe coronaregels vrijwillig zouden naleven, tot afschuw van buurlanden.
Etymologie
* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘gevoel van afkeer’ voor het eerst aangetroffen in 1736
Vertalingen
Engelsabomination, abhorrence
Fransaversion
DuitsAbscheu, Ekel
Spaansrepugnancia, aversión, horror
Italiaansripugnanza
Portugeesabominação
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek