afslaan
/ˈɑfslan/
Betekenis
werkwoord
- (ov) iets weigeren aan te nemenHij sloeg een tweede borrel af omdat hij nog moest rijden.
- (ov) door een slaande beweging iets omlaag doen bewegenDeze thermometer moet nog afgeslagen worden.
- (ov) een aanval succesvol het hoofd bieden, verdrijvenDe aanval werd echter afgeslagen.
- (ov) bij afslag veilen
- (erga) zijwaarts gaanHij sloeg naar links af.Nu moet Le Mistral het hebben van die paar oude getrouwen die van de snelweg afslaan.
- (erga) ophouden te werken (van motoren etc.)De motorfiets sloeg af.
- (ov) in prijs minder wordenIn de uitverkoop werd de prijs afgeslagen.
Vertalingen
Engelsturn down
Spaansrechazar, rehusar, declinar
Italiaansbattere
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek