afslaan

/ˈɑfslan/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) iets weigeren aan te nemen
    Hij sloeg een tweede borrel af omdat hij nog moest rijden.
  2. ov (ov) door een slaande beweging iets omlaag doen bewegen
    Deze thermometer moet nog afgeslagen worden.
  3. ov (ov) een aanval succesvol het hoofd bieden, verdrijven
    De aanval werd echter afgeslagen.
  4. ov (ov) bij afslag veilen
  5. erga (erga) zijwaarts gaan
    Hij sloeg naar links af.
    Nu moet Le Mistral het hebben van die paar oude getrouwen die van de snelweg afslaan.
  6. erga (erga) ophouden te werken (van motoren etc.)
    De motorfiets sloeg af.
  7. ov (ov) in prijs minder worden
    In de uitverkoop werd de prijs afgeslagen.

Vertalingen

Engelsturn down
Spaansrechazar, rehusar, declinar
Italiaansbattere