aftrekker

mannelijk (de)/'ɑftrɛkər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. rubberen wisser aan een steel om overtollig water van een glad oppervlak te verwijderen na het schoonmaken
    'Je kunt het op z’n minst ironisch en ongepast noemen dat vrouwen tijdens zo’n film een aftrekker, schuursponsje en een advertentie voor afslankingspillen onder hun neus geschoven krijgen', zegt Diana Goodwin, een van de dames die dinsdag in de zaal zat, aan deredactie.be.de Standaard 09/06/2017 om 11:46 door gn [http://www.standaard.be/cnt/dmf20170609_02918226 Ophef over ‘vrouwonvriendelijke’ goodie bag Kinepolis ]
    Onze cel is al 10 dagen niet gekuist omdat een emmer, aftrekker en wasproduct ons geweigerd worden. Zelfs wc-papier ontbreekt. Er wordt altijd beloofd: straks, straks.’de Standaard 5 mei, 15u10: ‘Iemand heeft zich opgehangen’ [http://www.standaard.be/cnt/dmf20160513_02289188 14/05/2016 om 06:02 door Inge Ghijs ]
  2. iemand die gebruik maakt van aftrekposten bij het betalen van de belastingen
    De maand-aangifte is een nu-aangifte geworden. Wanneer je een belastbaar bedrag ontvangt, wordt onmiddellijk daarop de belasting ingehouden die geldt op basis van de nu bekende gegevens. Het privacy-probleem loste zich op, toen zowel de automatische aftrekkers als de privacy-ridders niet meer wilden betalen voor de extra kosten van het handwerk.NRC Leonard Verhoef Cognitief Psycholoog 29 maart 2006 [https://www.nrc.nl/nieuws/2006/03/29/de-fiscus-rekent-meteen-af-11103984-a440857 De fiscus rekent meteen af ]
  3. man die zichzelf seksueel bevredigt

Etymologie

* van aftrekken