afvoerput
mannelijk (de)/'ɑfurpʏt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- put voor het lozen van afvalwater vaak aan de bovenkant voorzien van een roosterSinds een jaar beschikken de gemeentelijke straatmakers over een grote, gele laadschop op vier zwarte wielen die hen “het gewicht uit handen neemt”. Een trottoirband van een meter weegt al gauw meer dan honderd kilo. In de Hoge Nieuwstraat liggen er zelfs van twee meter: drie- à vierhonderd kilo. Het versjouwen en op de juiste plaats "stellen' van die steenkolossen leverde veel rugklachten op. Hetzelfde gold voor de betonnen straatkolken: de afvoerputten. NRC Hendrik Spiering 12 maart 1993
- (figuurlijk) iets of iemand waar men alle vervelende zaken naartoe leidtEn nu Theo van Gogh alweer bijna heilig is verklaard, een goedmoedige lobbes die wel eens verbaal doorschoot, maar uiteindelijk het beste met de wereld voorhad, en ook nog eens de evenknie van Fassbinder, Bergman en Fellini, zou je bijna vergeten dat zijn website jarenlang een afvoerput was van hysterische, maar wel degelijk serieus bedoelde cultuurkritische ranzigheid en een verzamelplaats voor op hol geslagen figuren, die bijvoorbeeld de Gouden Tondeuse uitreikten wie zou er deze maand weer kaal geschoren moeten worden wegens landverraad in naam van het multiculturalisme? Er loopt een rode lijn van dit soort ludieke acties en de uitverkiezing op een website van een linkse dierenactivist van de Dierenbeul van het jaar de winnaar, lees ik in de Volkskrant, heeft inmiddels politiebescherming gekregen. NRC Bas Heijne 22 oktober 2005
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek