afwending

vrouwelijk (de)/'ɑfwɛndɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het afweren van iets naars of het verdedigen tegen iets vervelends
    De gereformeerde dr. H. Bouwman zegt in zijn studie over de kerkelijke tucht: „Indien ieder lid der kerk leefde naar eigen welgevallen, indien hij zich niet stoorde aan de belijdenis en de orde der kerk, en er geen middel van verweer tegen of afwending van het kwaad was, dan zou de arbeid der kerk vruchteloos zijn en haar leven zou gevaar lopen. Reformatorisch Dagblad Wim Kranendonk 18-11-2017 [https://www.rd.nl/opinie/kerkelijk-gezag-is-van-hogerhand-1.1446692 Kerkelijk gezag is van Hogerhand]
    ,, De geweldsinstructie van de taser zoekt op twee punten aansluiting bij de geweldsinstructie voor vuurwapens,’’ zegt Van Ardenne. ,,Maar nieuw bij de taser is punt d: ter afwending van direct dreigend gevaar voor eigen of iemand anders lijf. Tubantia Victor Schildkamp 01-02-17, [https://www.tubantia.nl/binnenland/agenten-gaan-straks-veel-te-makkelijk-naar-gevaarlijke-taser-grijpen~a5250ede/ ‘Agenten gaan straks veel te makkelijk naar gevaarlijke taser grijpen']

Etymologie

* van afwenden

Vertalingen

Engelsaverting