afweren

/ɑfˈwerə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) een aanval neutraliseren
    De onverhoedse aanval werd ternauwernood afgeweerd.
    Hij had verwacht dat ik preuts zou zijn en hem zou afweren en dat ik het zou besterven van schaamte.

Vertalingen

Engelsdeflect, thwart, protect from
Fransparer
Duitsabwehren, verhindern
Spaansrepeler