afweren
/ɑfˈwerə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) een aanval neutraliserenDe onverhoedse aanval werd ternauwernood afgeweerd.Hij had verwacht dat ik preuts zou zijn en hem zou afweren en dat ik het zou besterven van schaamte.
Vertalingen
Engelsdeflect, thwart, protect from
Fransparer
Duitsabwehren, verhindern
Spaansrepeler
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek