afwijken

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) niet de gangbare norm volgen
    Hij week af van de norm en deed wat hij zelf wilde.
    184 Hij drukt de jongeren op het hart dat ze een priester die van het rechte pad afwijkt daar zeker op mogen aanspreken.
  2. inerg (inerg) iets doen wat in strijd is met wat men normaal zou doen
    Waarom heeft het dagelijks bestuur afgeweken van het advies van de commissie?
    Als ze afweek van de spontaan geplande route zou dit een nat pak kunnen betekenen.
    Xin bleef onder de sterren zitten, die geen fractie van hun gebruikelijke koers afweken, ondanks alle tumult in de wereld daaronder, tot in het oosten de dageraad aanbrak.
  3. niet volgen van de juiste weg; niet volgen van de juiste richting
    Zodra ze een beetje afwijkt richting de straat, duwt hij haar terug.
  4. anders zijn
    Ik vraag Telegraaf-journaliste Marianne Janssen hoe het mogelijk is dat haar weergave van het voorwoord afwijkt van het werkelijk gepubliceerde voorwoord.

Vertalingen

Engelsdeviate, differ
Fransdévier
Duitsabweichen
Spaansdesviarse
Italiaansdeviare