afzetten

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. ov, medisch (ov), (medisch): het verwijderen van een deel van een lichaamsdeel
    Dat been moest afgezet worden.
  2. ov, economie (ov), (economie): erin slagen producten verkocht te krijgen
    Er werd veel in Duitsland afgezet.
  3. ov (ov) iemand te veel laten betalen voor iets
    We zijn echt afgezet door de straatverkoper.
  4. ov, dierkunde (ov), (dierkunde): het leggen van eieren door vijv. vissen
    Na een ingewikkeld paairitueel werden de eitjes op de waterplanten afgezet en door het mannetje bevrucht.
  5. ov (ov) iemand met een voertuig naar een plaats brengen en daar snel laten uitstappen
    Kan ik je daar op de hoek afzetten?
    In tegenstelling tot het gros van de passagiers lieten zij zich niet voor de ingang van het Las Vegas afzetten.
  6. ov, geologie (ov), (geologie): het sedimentatieproces waardoor lagen bezinksel ontstaan
    Deze laag is in het lias afgezet.
  7. ov (ov) de zoom of rand van een kledingstuk versieren
    De mouwen waren afgezet met kant.
  8. ov (ov) apparatuur uitschakelen
    Voor we weggaan wil ik nog even het koffiezetapparaat afzetten.
  9. ov (ov) uit een hoog ambt verwijderen
    De corrupte president werd afgezet.
  10. ov (ov) een weg voor alle verkeer blokkeren, een gebied ontoegankelijk maken voor onbevoegden
    Vanwege werkzaamheden is de rechter baan van de A10 afgezet.
    De politie heeft de plaats van de misdaad afgezet
  11. ov (ov) iets dat op het hoofd gedragen wordt weer afnemen
    Hij heeft het masker afgezet.
  12. refl (refl) zich ~: veelal met de benen kracht op iets uitoefenen om weg te kunnen bewegen
    Hij zette zich niet voldoende sterk af en daarom mislukte de sprong.
    Precies zoals ik het ooit leerde tijdens schoolzwemmen, samen met Lot. Zij had het eindeloos met me geoefend tot ik eindelijk de slag te pakken had. Uitdrijven, muur aantikken, omdraaien, afzetten.
  13. refl (refl) overdrachtelijk: zich ~ tegen: zijn gedrag laten bepalen door de wens zich te willen onderscheiden van iemand anders
    Hij zet zich erg af tegen zijn ouders.
  14. refl (refl) overdrachtelijk: van zich ~: gedachten uit het hoofd zetten
    Zij zette de gedachten over haar nieuwe vriend even van zich af.

Vertalingen

Engelsentfernen, amputate, rip off
Duitsamputieren
Spaansamputar, estafar, destituir
Deensspærre